Ondervoeding en sarcopenie komen vaak samen voor, maar de verbinding wordt niet altijd gelegd. Dat moet anders, vindt Hinke Kruizenga, diëtist-onderzoeker en oprichter van het platform Voeding en Beweging NU en auteur van het Leerboek Voeding. “We weten dat in de preventie en behandeling van ondervoeding en sarcopenie voeding en beweging elkaar versterken. Toch worden ze nog te vaak los van elkaar ingezet, terwijl juist de combinatie het grootste effect heeft.”
Sarcopenie is een spierstoornis die ontstaat door onder andere inactiviteit en ziekte. De spiermassa en -kracht nemen af, met directe gevolgen voor het dagelijks functioneren.
Vooral bij ouderen wordt spierkrachtsverlies nog te vaak gezien als iets wat er ‘gewoon bij hoort’. Onterecht, vindt ze. “We weten dat ouderen spiermassa en spierfunctie verliezen, maar we accepteren het te snel. Terwijl we er wel degelijk iets aan kunnen doen, mits we er op tijd bij zijn.”
Daarbij is de grote inzet om te voorkomen dat mensen zoveel spiermassa verliezen. “Bij een opname in het ziekenhuis kan door de ziekte en inactiviteit het spierverlies snel gaan; tot wel enkele procenten per week.. Vervolgens is het een lang en intensief traject van zeker een half jaar voordat die verloren spiermassa weer terug is. En dat lukt lang niet altijd.”
Kansrijk moment
Juist tijdens ziekte ligt er een belangrijk moment om in te grijpen. “Er ligt in die ziekenhuisperiode een groot window of opportunity”, vertelt Kruizenga. “In de periode dat mensen opgenomen zijn worden mensen passiever en eten ze slechter. We weten inmiddels dat slechts een kwart van de ouderen in het ziekenhuis voldoende eiwitten binnen krijgt. Dat heeft allerlei oorzaken: pijn, misselijkheid, geen eetlust. Goed eten en bewegen is dan gewoon moeilijk. Dus deels hoort het erbij dat mensen achteruit gaan, maar we kunnen daarin ook nog een hoop voorkomen.
Toch ligt daar volgens haar een belangrijke kans. “De afbraak van spieren gaat door, maar de opbouw blijft achter. En juist die opbouw kunnen we stimuleren met beweging en voeding.”
Voeding en beweging samen sterk
Het spiermetabolisme is continu in beweging. “Elke dag breken we zo’n 1 tot 2 procent van onze spiermassa af en bouwen we het ook weer op,” legt Kruizenga uit. “Dat is een hoge turnover. Normaal is dat in balans. Maar bij ziekte, inactiviteit en te weinig eten raakt die balans verstoord. De afbraak gaat dan door, maar de opbouw mindert. Bij het ouder worden is het moeilijker om deze balans te behouden en heeft ziekte, inactiviteit en te weinig eten nog grotere gevolgen. Dus er zijn heel veel factoren, juist in zo’n ziekteperiode, die allemaal invloed hebben op die opbouw van die spiermassa. Die ziekte kunnen we vaak niet zoveel mee, maar voeding en beweging zijn twee factoren die we kunnen beïnvloeden.
“We weten dat beweging eigenlijk altijd wel effect heeft en alleen voeding bij sarcopene ouderen bijvoorbeeld vaak niet. Maar voeding en beweging samen geven het beste effect. Dat is ook logisch, want die aminozuren uit de voeding zijn de bouwstoffen van die eiwitten. Dus dat samenspel van optimale beweegbehandeling en goede voeding, daar kunnen we denk ik nog echt heel veel verbeteren. Alleen al de bewustwording hiervan is belangrijk, en zeker tijdens een ziekteperiode wanneer eten en bewegen sowieso lastig is.
Herkennen blijft lastig
Een grote uitdaging is het op tijd herkennen van sarcopenie. “Dat is nog best ingewikkeld,” zegt Kruizenga. “Idealiter meet je spierkracht, bijvoorbeeld met een knijpkrachtmeting of een zit-sta-test. Ook lichaamssamenstelling meten zou meer gemeengoed mogen worden; bij bepaalde groepen hoort dat wat mij betreft gewoon bij de diagnostiek.”
Er zijn screeningsinstrumenten zoals de SARC-F, die het risico op sarcopenie vaststellen. “Maar in de praktijk begint het met de klinische blik”, vertelt ze. “Geeft iemand een stevige hand? Kan iemand nog harder knijpen? En je kijkt hoe iemand uit de stoel opstaat en beweegt. Vraag ook na of bijvoorbeeld het traplopen goed gaat. Dat soort zaken kun je allemaal incorporeren in je anamnese. Vervolgens is het goed om te kijken of iemand voldoende eiwit eet en hoe iemand nu beweegt.”
Niet bang zijn voor overlap
In de praktijk bestaat soms terughoudendheid om ‘op elkaars stoel te zitten’. Onnodig, vindt Kruizenga. “We hoeven daar niet te bang voor te zijn. Basisadviezen over voeding en beweging moeten we allemaal kennen.” Sterker nog, het herhalen van dezelfde boodschap kan juist helpen. “Als verschillende zorgprofessionals hetzelfde adviseren, komt het sterker over bij de patiënt. Die samenwerking is echt van belang en daarom moet je ook goed contact met elkaar hebben, om dezelfde boodschap te kunnen brengen. Zo kunnen we de integrale boodschap versterken.
Gedragsverandering als kern
Uiteindelijk draait het om gedragsverandering. En dat is misschien wel het lastigste onderdeel. “Het is een leefstijlinterventie. Je vraagt mensen om iets structureel te veranderen, terwijl ze ziek zijn. Dat is ingewikkeld.” Daarom is ondersteuning vanuit de omgeving essentieel. “Patiënten, mantelzorgers, partners, zorgverleners; iedereen speelt een rol. Maar de patiënt moet zelf een hele duidelijke rol hebben. Ik denk dat zelfmanagement hier misschien wel het belangrijkst in is. Dat iemand weet waarom goede voeding en krachttraining nodig zijn. Waarom het elke dag weer moet. Dat het niet per se met flesjes drinkvoeding hoeft, en het ook kan met normale producten. Dat oefeningen ook echt passen bij die persoon zodat ze volgehouden kunnen worden. Alles moet helemaal afgestemd worden op die patiënt zelf. We moeten het zo eenvoudig mogelijk maken en herhalen, herhalen, herhalen.
Meer regie als speerpunt
Als het aan Kruizenga ligt, is meer regie de eerste stap naar betere zorg. “Voor zorgprofessionals, maar ook voor de patiënt en de omgeving. Iedereen moet weten waarom dit belangrijk is en wat je eraan kunt doen.”
Programma’s zoals ProMuscle kunnen daarin een belangrijke rol spelen. Dit is een wetenschappelijk onderbouwd leefstijlprogramma voor vooral 65-plussers, ontwikkeld door Wageningen Universiteit, dat krachttraining combineert met eiwitrijke voeding om spiermassa en spierkracht te verbeteren. Gedurende ongeveer 12 weken trainen deelnemers twee keer per week onder begeleiding en krijgen ze persoonlijk voedingsadvies, met als doel fitter te worden, dagelijkse activiteiten makkelijker uit te voeren en langer zelfstandig te blijven. Dit blijkt effectief; deelnemers hebben hierna aantoonbaar meer spierkracht en spiermassa ontwikkeld en ze functioneren beter in het dagelijks leven.
“Dit is als het ware een soort knik in iemands verhaal. Ze gaan even heel intensief aan de slag, en dan wordt het deel van de leefstijl. Als we elkaar als zorgprofessionals op deze manier blijven opzoeken, elkaars achtergrond weten en weten van dit soort interventies, dan kunnen we gezamenlijk echt wat bereiken op het gebied van sarcopenie.”

